Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa

Sitemap  |  Index  |  Disclaimer    NL  |  EN    RSS Feed

Nieuws

Uitbreiding biobrandstofproductie zonder ILUC mogelijk

Datum: 26 januari 2015

Het verbouwen van biomassa voor biobrandstoffen kan indirect land use change (ILUC) tot gevolg hebben. De juiste maatregelen kunnen dit voorkomen, blijkt uit recent onderzoek van het Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling van de Universiteit Utrecht, mede in opdracht van de Commissie Corbey.  

 

Indirect land use change (ILUC) treedt op als biomassa wordt verbouwd op grond die daarvoor bestemd was voor voedsel. De verplaatsing van de voedselproductie brengt weer ontginning van nieuwe landbouwgrond en uitstoot van broeikasgassen met zich mee. Het oorspronkelijke doel van biobrandstoffen – verminderen van de uitstoot van broeikasgassen – wordt dan teniet gedaan.  

 

Effecten ILUC beperken
Onderzoekers van het Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling van de Universiteit Utrecht onderzochten concrete maatregelen om verplaatsing te beperken. Uit vier casestudies blijkt dat het mogelijk is om grote hoeveelheden biobrandstof te produceren met weinig risico op indirecte effecten. De onderzochte landbouwgrond (ongeveer 6 procent van alle landbouwgrond in de EU) levert genoeg biobrandstof op om in 2020 aan een tiende van de Europese vraag voor hernieuwbare energie voor wegtransport te voldoen.

 

Veelbelovende maatregelen
Door duurzame intensivering van de hele landbouwsector en gebruik van onbenutte grond voor extra productie is het mogelijk om de totale biobrandstofproductie flink te vergroten. Met deze maatregelen hoeven gewassen niet verplaatst te worden en is uitbreiding van landbouwgrond in natuurgebieden overbodig. De maatregelen zijn niet alleen nuttig voor de biobrandstofindustrie, maar voor de wereldwijde landbouwsector, stellen de onderzoekers. Europees beleid is nodig om de synergie tussen landbouw en bio-energie te maximaliseren.  

 

Het onderzoek is uitgevoerd door dr. Birka Wicke, Marnix Brinkman, Sarah Gerssen-Gondelach, Carina van der Laan (Universiteit Utrecht) en prof. dr. André Faaij (RUG).

 

Bron: Universiteit Utrecht